Dinsdagavond ben ik naar een lezing geweest van Bas Haring. In mijn filosofielessen kregen we af en toe een documentaire van deze jonge Nederlandse filosoof en inmiddels hoogleraar te zien. Wat me aantrok in de uiteenzettingen van Bas Haring is dat hij filosofie op een nuchtere, gemakkelijke manier benaderd en daar een broodnodige dosis humor aan toevoegt.

Geen starre Heidegger of Hegel, maar lekker down to earth, goed te plaatsen en te begrijpen. Ik heb net zijn boek “Voor een echt succesvol leven” bij het Boekenfestijn opgepikt en dat met veel plezier gelezen. Zijn metaforen zijn heel leuk gekozen en ik beveel het boek ook van harte aan bij iedereen die een interesse in filosofie heeft. (Of gewoonweg wil weten waarom hij of zij eigenlijk succesvol zou willen zijn!)

​Toen ik weer eens in de Broese in Utrecht aan het snuffelen was, zag ik de aankondiging dat hij zijn nieuwste essay, “Het aquarium van Walter Huijsmans” zou gaan bespreken. Daar moest ik natuurlijk bijzijn. Gelukkig had ik een kaartje gereserveerd, want de lezing bleek geheel uitverkocht. Zijn essay, geschreven voor de maand van de filosofie, ging met name om het milieu en de toekomst, waar de vraag ‘Waarom maken we ons zorgen om de toekomst?” centraal staat. Hij vraagt zich af waarom we ons precies zo’n zorgen maken over het milieu, ons nageslacht en de wereld om ons heen.

Hij duidt hierbij aan dat hij het wel heel belangrijk vindt dat de aarde een mooie plek blijft, maar als filosoof is het deels zijn sport om algemene denkwijzen aan de kaak te stellen. Wat hij in zijn betoog ook zeker doet. Aan de reactie van het publiek was te merken dat mensen het unaniem eens zijn met de stelling dat we de aarde als een goede plek moeten achterlaten. Dat we bomen mooi vinden en flatgebouwen niet. Bas Haring gaat hier verstandelijk op in, met logische argumenten. Na mijn cursus kritisch denken snap ik deze redenaties prima, het is allemaal logisch te verklaren waarom sommige stellingen wel of niet waar kunnen zijn.

Wat ik persoonlijk wel mis bij filosofische redeneringen, is een kwestie van gevoel, van werkelijk bewustzijn. Filosofie is uiteindelijk gewoonweg een overkoepelende wetenschap, en raakt daarbij alle andere wetenschappen en disciplines. Daarom vind ik het ook enorm interessant. De filosofie zoekt naar bewijzen, in de vorm van redenatie. Het is voor mij een soort hersengymnastiek om te toetsen wat ik denk, om ‘out of the box’ te kunnen denken en oeroude habitus in mijn denken te kunnen doorbreken. Maar naast iets als filosofie heb ik ook een stuk bezinning nodig, wat ik met name in boeddhisme terugvind. Want niet alles is te verklaren door verstandelijk te redeneren. Eigenlijk is er maar heel weinig verstandelijk te verklaren.

In de filosofielessen liepen we vaak op een bepaald punt tegen de grens van onze taal aan. Onze taal is namelijk ook een “box” waarin we denken. Sommige dingen vind ik in het Engels makkelijker uit te leggen, simpelweg omdat het Engels veel meer woorden bevat. Dan heb ik meerdere woorden tot mijn beschikking om dingen uit te leggen en te verbeelden. Die mis ik in het Nederlands. Met als grootste defect dat het Engels geen echt woord voor gezelligheid heeft. Maar dat terzijde. Taal is ook een box, ook een habitus. En in dat aspect wat ik in de filosofie mis, vind ik terug in een stuk esoterie; het gevoelsmatige, waar we over energieën praten, over telepathie, toevalligheden, bijzondere onverklaarbare gebeurtenissen. Dit alles is voor mij de andere kant van de medaille. De kunst is, denk ik, om je niet in geen van beiden te verliezen.

Met enkel filosofie en wetenschap wordt de wereld in mijn beleving zo koud en kil. Geluk zit hem niet in redeneren of kritisch denken. Met enkel newage-principes wordt de wereld te zweverig, maar zonder, verliest de wereld zijn magie. De kunst voor mij is een combinatie te maken tussen de magie en de etymologie, de wijsbegeerte. Zo vind ik de argumentatie waarom het eigenlijk niet in ons eigen belang is om de wereld te behouden, logisch kloppen. Onze kinderen zullen best kunnen wennen aan een nieuwe wereld (die er wellicht uit zal zien als het aquarium van Walter Huijsmans), en we kunnen inderdaad onszelf best programmeren om een lantarenpaal of flatgebouw net zo mooi te vinden als een boom of een prachtig natuurgebied.

Grappig is dat Haring hier, misschien onbewust, een boeddhistisch principe naar voren haalt; zolang we het leven nemen zoals het komt, maakt het feitelijk niet uit als we de wereld veranderen in een gigantische massastad of/en vuilnisbelt. Maar gevoelsmatig weten we dat we daar niet gelukkig van (willen) worden. We kunnen, bijvoorbeeld, net zo goed eten uit zakjes eten als biologisch eten. Maar energetisch gezien zijn er andere dingen aan de hand. Biologisch eten is immers gezonder gebleken dan uit zakjes, met allerlei toevoegingen.

Haring’s zijn tegenwerping zou kunnen zijn, zouden we dan zo gezond moeten worden? Maakt het uit dat we 60 worden of 90? Liever 60 jaar leven en totaal gelukkig zijn en onbekommerd doen en laten wat we willen dan 90 met gewetenswroeging? Zo blijft de vraag circuleren en komt uiteindelijk neer op wat er in het leven echt belangrijk is voor onszelf als mens. En dat verschilt per mens. Wat mij in ieder geval gelukkig maakt, is dat de meeste mensen het toch heel belangrijk vinden dat we gezond leven en de aarde een warm hart toedragen. Gevoelsmatig. En daar kan in mijn ogen geen redenering tegenop.

De conclusie van Haring zal ik hier niet behandelen, die mag je zelf gaan lezen. Wil je zelf een oordeel vormen over Haring’s essay, dan ligt zijn boek “Het aquarium van Walter Huijsmans” nu voor 5 eurootjes in de Broese. Mocht je het niets vinden, zorg dan in ieder geval wel dat het netjes bij het oud papier belandt. Anders moet ik me weer zorgen gaan maken om onze planeet.

Delen